Druckschrift 
2 (1896) Stukken tot aanvulling vanhet 1. deel (1077-1518)
Entstehung
Seite
311
Einzelbild herunterladen
 

ANNO 1440, 1444, 1456 311

mögen, overmids plaghen, die onser stede dairoff comen mochten, soe heeftetgerecht een correxi hierof geordiniert inder manieren hiernae bescreven. Inden eersten soe sal Willem Duycker seggen : « Ic heb Gode van hemelrijcgheblasfameert mit ontameliken woirden, gelijc ic dairin betuycht bin ; ditis my leet ende begheor dairoff genade van Gode van hemelryc. « Voirt soesei Willem Duyker trecken tot Ferraer, off dair die paeus is, ende dair eenbevaert doen ende dair sijn biechte volcomelic spreken van den ■woirden,alsoe die voirscr. staen, ende dan guet betoech die stede van Leyden dairoffbrengen, eer hy weder binnen der stede van Leyden comen sei, op zijn lijff;ende sei op sijn bedevairt uutgaen twisken dit ende sonnendaghe naestcomende, ende sei binnen der kerken niet comen up sijn lijff. Ende dat ymmerWillem Duyker voirscr. dese ontamelike woirde, die hij gesproken heeft, tevolle beteren sei, soe sei hy den armen huyssitten geven om Goeds willentsestich philips bourg. scilden, te betalen twisken dit ende Vastelavont naestcomende.

P. J. Blök, Leidsche rechtsbronnen uit de middeleeuwen,blz. 71.

199(156 ter — 284 bis ).

1444, Leiden. Veroordeeling door de schepenen uitgesprokentegen Clais Willemsz. wegens het heleedigen van het H. Sacra-ment. — Hij zal aan de kaak gesteld worden, zijne rechter handza] worden afgehouwen en daarna zal hij eene levenslange bal-lingschap buiten Leiden en al de landen van zijnen heer aangaan,op doodstraf.

1444. Om overmits groten ondaet, die Clais Willemsz., die men hiet ClaisQuam gereden, voir den Heyligen Sacrament gedaen heeft, dattet tgherechtniet cn staet te lyden, hiervon' soe sei Clais voirscr. bij speciale gracie op diekaeck staen drie uren lang aftereenvolgende ; ende tenden die drie uren salmen hcm ofdoen zijn rechterhant; ende hiertoe söe sei Clais voirsz. hem-selven overgeven ende verwilkoren binnen tvrie dagen, naedat zijn hantofgedaen is, uter stede van Leyden gaen, ende binnen achte dagen dairnae tewesen uut alle mijns gen. heren landen, te bliven tot ewygen dagen; allup zijn lijff.

P. J. Blök, Leidsche rechtsbronnen uit de middeleeuwen,blz. 74.

200 (183 bis — 420^).

1456, Oclober 19, Dordrecht. Veroordeeling door de schepenenuitgesproken tegen Remijs Wesselssoen, tot eene openbare boete-doening in de processie wegens kettersche waarzeggerij.